De samenwerkende leergemeenschap is het uitgangspunt bij het gestalte geven aan het werkconcept. Daarnaast is essentieel leren verweven in ons denken en handelen. We gaan uit van het principe van een leven lang leren. Onderzoek wijst uit dat succesvolle groepen aan kenmerken van een leven lang leren voldoen. Ze zijn verrassend eenvoudig te koppelen aan de uitgangspunten van WCS:
1 Leerlingen werken regelmatig in een groep of team
2 Leerlingen zijn actief bezig met het oplossen van zinvolle problemen
3 Leerlingen laten aan de buitenwereld zien wat ze hebben geleerd
4 Leerlingen reflecteren op wat ze leren en doen
5 Leerlingen weten kwaliteitscriteria in hun werk toe te passen
6 Leerkrachten bemiddelen, coachen en ondersteunen het leerproces
7 De leerkracht bepaalt leerdoelen/criteria, kiest activiteiten, de lesstof en de wijze van beoordeling
8 Leeractiviteiten zijn op elkaar afgestemd
9 Leerlingen nemen verantwoordelijkheid voor hun eigen leren en voor de groep als gemeenschap
Leerlingen werken regelmatig in een groep of team
Leerkrachten bouwen vanaf het begin van een schooljaar aan een gemeenschap. Hierbij worden onder andere communitybuilders ingezet. Leerkrachten ontwerpen en gebruiken groepsovereenkomsten. Er wordt een groep gevormd en hiertoe worden willekeurige technieken ingezet. Er worden handvatten gegeven om door samenwerking problemen op te lossen. De groepssamenstelling hierbij verandert regelmatig: de groepsgrootte wordt afgestemd op de complexiteit van een op te lossen probleem. De leerkrachten ontwikkelen en implementeren toetsingsinstrumenten voor verslaglegging en registratie.
Leerlingen zijn actief bezig met het oplossen van zinvolle problemen
Leerkrachten vertalen de lesstof naar oplossingsgerichte opdrachten en zetten deze spontaan én geregisseerd in. Leerkrachten werken samen en gebruiken vraagstukken die een beroep doen op kennis, vaardigheden en intellectuele kwaliteiten. Lessen worden zo ontworpen dat er samenwerking door leerlingen vereist is. Bij vraagstukken is er ruimte voor meer dan één goed antwoord.
Leerlingen laten aan de buitenwereld zien wat ze hebben geleerd
Binnen ons werkconcept verwachten we dat leerlingen kunnen laten zien wat ze hebben geleerd. Opdrachten worden zo gecreëerd dat het eindresultaat publiekelijk kan worden vertoond. Samenwerking tussen leerlingen is ook hierbij een vereiste. Op verschillende manieren wordt het werk van leerlingen tentoongesteld. Er worden vooraf criteria opgesteld waaraan het tentoongestelde werk moet voldoen.
Leerlingen reflecteren op wat ze leren en doen
Door vragen te stellen wordt het reflecteren van kinderen gestimuleerd. Hierbij nemen leerkrachten de tijd om na te bespreken en te evalueren. Eenvoudige vragen als: Wat ging goed? Wat kan beter? worden gesteld. Informatie die uit de antwoorden voortkomt wordt gebruikt voor volgende situaties. Leerkrachten zetten technieken in voor individuele reflectie, zoals het schrijven in dag- of logboeken of het maken van een verslag. Het leerdoel wordt vooraf duidelijk met de leerlingen gedeeld, waardoor ze doelbewuster en diepgaander kunnen reflecteren op gedane activiteiten.
Leerlingen weten kwaliteitscriteria in hun werk toe te passen
Leerkrachten zorgen voor duidelijke kwaliteitskenmerken of helpen de leerlingen hierbij. Zij laten voorbeelden zien van werk dat aan deze kenmerken voldoet en bespreken in de evaluatie de kenmerken die aan het begin zijn vastgesteld. Er worden criteria gebruikt om het werk van leerlingen te toetsen of te beoordelen. Leerkrachten helpen leerlingen deze criteria in te zetten bij de beoordeling van elkaars werk. Hierbij worden checklist en rubrics gebruikt. Leerkrachten begrijpen dat nabespreken een kans biedt om feedback te geven.
Leerkrachten bemiddelen, coachen en ondersteunen het leerproces
Leerkrachten weten wanneer zij leerlingen moeten helpen, wanneer ze moeten ingrijpen of een time-out inzetten en wanneer er zelfstandig gewerkt kan worden. Leerkrachten laten leerlingen zelf een probleem oplossen. Zij observeren vaardigheden en gedrag en geven hierover feedback. De leerkracht beweegt zich door de groep en legt zaken met een digitale camera vast. Beelden worden gebruikt om opbouwende feedback aan leerlingen te geven. Leerkrachten zijn geïnteresseerd en enthousiast over de inbreng van leerlingen. In deze zetting werken leerkrachten tussen de leerlingen in plaats van boven hen te staan. Leerlingen krijgen de kans van meerdere hulpbronnen gebruik te maken. Leerkrachten zijn bereid risico's te nemen.
De leerkracht bepaalt leerdoelen/criteria, kiest activiteiten, de lesstof en de wijze van beoordeling
Leerkrachten kennen de leerdoelen en kunnen overbrengen wat er wordt verwacht op het vlak van kennis, begrip, vaardigheden en kwaliteiten. Zij kunnen het verband tussen praktijkopdrachten en leerdoelen duidelijk overbrengen. Dit zorgt ervoor dat leerlingen weten aan welke kwaliteitskenmerken ze moeten voldoen. In de groep wordt regelmatig teruggekomen op deze kwaliteitskenmerken en er wordt getoetst of ze nog actueel zijn. Leerkrachten gebruiken de kennis-of begrip-leernorm als uitgangspunt voor datgene wat een leerling laat zien bij probleemoplossend werken, evaluatie en toetsing.
Leeractiviteiten zijn op elkaar afgestemd
Leerkrachten zorgen voor opdrachten die een onderlinge samenhang vertonen en bespreken deze onderlinge samenhang met leerlingen. Zij zorgen ervoor dat de opdrachten een relatie met de buitenwereld hebben. Eerder werk wordt bij de nabespreking betrokken. Leerkrachten leggen verbanden gebaseerd op eerder werk en eerdere ervaringen. Zij stellen doelen vast en verbinden daar activiteiten aan.
Leerlingen nemen verantwoordelijkheid voor hun eigen leren en voor de groep als gemeenschap
Leerlingen krijgen autonomie en mogen zelf keuzes maken. Leerkrachten betrekken leerlingen bij de logistieke planning in de groep door vragen te stellen als: Hoe gaan we dit doen? Leerkrachten zorgen ervoor dat leerlingen actief deelnemen aan het geven van feedback. Dit schept ruimte voor leerlingen om hun mening te geven. Leerkrachten betrekken leerlingen bij het nemen van beslissingen over de dagelijkse gang van zaken. Dit helpt leerlingen bij het ontdekken van de noodzakelijke stappen die moeten worden genomen om een opdracht uit te voeren. Leerlingen worden aangemoedigd om de leerkracht slechts als één van de vele hulpbronnen te zien naast bijvoorbeeld klasgenoten, boeken of internet.
